Laurence Machiels
Groenjournalist - tuinexpert
Compost is de finishing touch van de ecologische tuin: pure weldaad voor de bodem en een geweldig groeimiddel voor je planten. Hoe al die tuinresten omgezet worden tot kruimelige, levende humus, blijft iets bijzonders.
Composteren vormt dé basis van een krinlooptuin. Toch roept composteren vaak vragen op. Wat mag er nu wel en niet op de composthoop? Hoeveel plaats heb je nodig en hoe lang duurt het voor je compost ‘klaar’ is?
Goed nieuws: composteren hoeft helemaal niet ingewikkeld te zijn. Met het MANGO-principe (zie lager), ontwikkeld door Velt, maak je compost op een eenvoudige, ecologische en stressvrije manier.
Compost ontstaat wanneer wormen, insecten, bacteriën en schimmels je tuin- en keukenresten omzetten tot kostbare humus.
Die humus voedt het bodemleven, verbetert de bodemstructuur en helpt water beter vasthouden.
Het resultaat? Je planten worden sterker, de bodem krijgt een veerkrachtige sponsstructuur en je tuin wordt weerbaarder tegen droogte en extreme weersomstandigheden.
LET OP! Compost is geen meststof die direct voeding aan je planten geeft, maar een langzame, duurzame bodemverbeteraar.
Een veelgemaakte fout? Veel te kwistig omspringen met compost. De regel is: elke lente 2 cm compost. Over je gazon strooi je 0.5 cm.
MANGO staat voor vijf eenvoudige stappen die composteren tot een succes maken:
1. Mengen
2. Afdekken
3. Nat houden
4. Grote hoop
5. Omzetten
Alles zomaar op een hoop gooien, werkt niet. Succesvol composteren draait om het juiste evenwicht tussen:
- Groen materiaal: grasmaaisel, keukenresten, vers onkruid (zonder zaad), koffiegruis...
- Bruin materiaal: droge bladeren, stro, takjes, houtsnippers, strooisel van konijn, cavia of kippen, de resten van het composttoilet...
De juiste verhouding is NIET 50/50, maar 1 deel groen op 2 delen bruin.
Waarom mengen zo belangrijk is? Bij te veel groen (bv. vooral grasmaaisel) gaat de hoop rotten en stinken. Bij teveel bruin krijg je maar een heel trage composteren (te droog). Een goed gemengde composthoop stinkt nooit.
Plan slim! In het voorjaar heb je vooral veel groen materiaal (onkruid, grasmaaisel, fijn haagsnoeisel), in de herfst vooral bruin, zoals herfstbladeren en droge stengels. De truc? Leg in de herfst een wachthoop aan met bruin materiaal, en meng dat vanaf de lente systematisch onder je groen materiaal.
En wat met zieke planten? Tomaten of aardappelen met de 'plaag' mogen op de composthoop.
Een composthoop moet kunnen ademen maar mag niet uitdrogen. Het meest voorkomende probleem is dat de composthoop te droog wordt. Daardoor valt het bodemleven stil (dat heeft een licht vochtig milieu nodig om zijn werk te kunnen doen) en stopt het verteringsproces.
Mijn truc tegen het uitdrogen? Plaats je composthoop in de (lichte) schaduw én zet rondom tegen de wanden karton, van dozen of grote vellen die tussen de lagen water- en melkverpakkingen in de supermarkt liggen. Ook vanboven leg je karton, een doek, een dikke laag stro of hooi, of bladeren van rabarber.
TIP. Plant een pompoen bovenop je hoop, of Oost-Indische kers. Maak een gaatje in het karton. De pompoen gaat voor klimaatregelaar spelen: hij houdt met z’n bladeren de temperatuur gelijkmatig, en onder het karton en de bladeren blijft de compost mooi vochtig. De regen kan door het karton, maar het vocht in de hoop verdampt nauwelijks. En een pompoen verstopt die minder mooie hoop.
Een composthoop moet vochtig aanvoelen, zoals een uitgewrongen spons.
Doordrenk een vers opgezette composthoop met water. Controleer regelmatig of je hoop nat genoeg is. Knijp een handvol composterende resten samen; het moet vochtig aanvoelen.
Composteren gaat het makkelijkst met drie bakken naast elkaar:
- een met vers materiaal
- een met verterende compost
- een met rijpe compost
Mik op bakken van minstens 1 × 1 meter, max. 1,5 meter hoog. Zorg dat één kant altijd open kan, om de tuinresten aan te voeren, en om er later de compost weer uit te scheppen.
Heb je maar weinig plaats, composteer dan in één of meerdere tonnen of vaten. Plaats ze direct op de aarde, en start met een laag van 15 cm bruin, luchtig materiaal zoals takjes, stro en bladeren. In een vat blijft compost wel eens te nat, voeg geregeld genoeg droog, bruin materiaal toe. Onderaan oogst je dan van tijd tot tijd rijpe compost.
Een startende composthoop heeft warmte nodig om de bacteriën, schimmels, wormen en insecten aan het werk te zetten. Die warmte creëer je door je hoop om te zetten. Telkens je de hoop omzet, laait de temperatuur op en krijgt het microscopisch leven een nieuwe impuls. Alles verteert sneller.
Richtlijn:
- 1e keer na 1–3 maanden
- daarna elke 3 maanden
Na 7 tot 12 maanden heb je bruikbare compost.
Keer je je hoop minder vaak of helemaal niet om, dan verloopt het proces veel trager en heb je mogelijk pas compost na anderhalf tot twee jaar. De kwaliteit zal ook lager liggen en de compost wellicht ook grover. Maar nog altijd perfect bruikbaar in de tuin.
Wil je sneller compost?
- Hoe fijner de tuinresten, hoe sneller ze verteren. Knip je alles in kleine stukjes, dan gebeurt de omzetting vlugger.
- Hoe vaker je de tuinresten keert en mengt, hoe sneller ze verteren. Start je in de lente, dan heb je voor de winter al bruikbare compost.
- Kleine stukjes brandnetel en smeerwortel versnellen het proces
- Voeg af en toe wat verse stalmest of kippen- of konijnenmest toe
- Warm, vochtig weer geef sneller compost.
De wormen die helpen om de plantenresten om te zetten in kostbare humus, zijn compostwormen (Eisenia fetida). Ze zijn dol op half afgebroken organisch materiaal.
Compostwormen vind je niet terug onder de grond, ze blijven net tegen het aardoppervlak. Ze missen namelijk de spierkracht om, zoals aard- of regenwormen, gangen in de bodem te kunnen graven. Ze zijn fijner en minder lang (9 tot 12cm) dan een klassieke regenworm, en wat roder.
Compostwormen kunnen zich vrij snel vermenigvuldigen en zijn soms massaal aanwezig in een compostbak. Zie je veel compostwormen, dan loopt de compostering perfect volgens plan!