Laurence Machiels
Groenjournalist - tuinexpert
Hoe we tuinieren, verandert, door nieuwe inzichten, studies en ervaringen. Wat vroeger logisch leek, blijkt vandaag soms net averechts te werken. Zo werden vroeger de moestuinen elke lente 2 spaden diep gespit, nu spitten we helemaal niet meer. Ook voor het planten van bomen zijn er nieuwe inzichten.
Dit zijn vijf veelgemaakte fouten bij het planten van bomen — en hoe je ze vermijdt.
Een boom moet zo snel mogelijk wennen aan de bestaande bodem. Hij zal sneller wortelen met extra bodemverbeteraar in het plantgat, maar een groeistilstand krijgen zodra de wortels de comfortzone voorbij zijn, en tegen de randen van het plantgat botsen.
Enkel in geval van arme zandgrond of zware klei meng je een paar handen bodemverbeteraar of compost onder de uitgegraven aarde.
Gebruik nooit potgrond, die is bedoeld voor planten in pot, niet voor in volle grond!
De stabiliteit van een boom zit in de breedte van het wortelgestel, niet in de diepte. En ook de broodnodige voedingsstoffen en schimmels die een boom nodig heeft, zitten in de bovenste laag.
Zorg dat het plantgat 10 cm breder is dan de uitgespreide wortels, maar beslist niet dieper dan de wortelkluit. Een diepe smalle put is het slechtste wat je kunt doen, als je een boom plant.
Door de zijkanten breder uit te graven, stimuleer je je boom om zich in de breedte te ontwikkelen. Het is in de bovenste 15 cm dat de meeste weldadige schimmels en voedingsstoffen zitten, niet diep in de grond.
Een boom moet lichtjes kunnen wiebelen om sterke wortels te ontwikkelen. Hoe meer wortels, hoe steviger hij in de grond zit en hoe meer water en voedingsstoffen hij kan opnemen. Een hoge steunpaal maakt een boomstam alleen maar zwakker. Enkel op een plek met veel wind heb je een steunpaal nodig, of bij een hoge boom op een dun stammetje, die opgekweekt is met een bamboestok.
- Neem een paal die maximum 50 cm boven de grond uitsteekt
- Bind 30 cm van de grond losjes aan
- Haal de steunpaal na 2 jaar weg. Zaag hem tegen de grond af. Begin niet te wrikken aan de paal, dat schendt de wortels.
Groter lijkt beter, maar het omgekeerde is waar.
Een kleine boom past zich veel sneller aan zijn nieuwe plek aan, en begint al in de lente flink te groeien. Hoe groter de boom, hoe groter de stilstand, hoe lastiger hij aan de groei gaat op zijn nieuwe plek én hoe meer water je hem moet geven.
Na een paar jaar heeft een kleine boom een grote vaak al ingehaald!
Onder de grond is een groots netwerk van weldadige schimmels actief. De bekendste zijn mycorrhizae, die planten helpen om water en mineralen uit de grond op te nemen, en in ruil suikers van de boom(wortels) krijgen.
In een gezonde tuin zijn mycorrhiza-schimmels al volop aanwezig. Je hoeft ze niet toe te voegen. Wat wél werkt is een emmertje strooisellaag van een gelijkaardige boom onder je nieuwe boom strooien. Dat noemen we grond 'enten'. Plant je een linde, zoek dan een linde in de buurt en schep wat bladaarde op. Die bevat al van nature de nodige mychorrhizae voor linde.
Hoe je mycorrhizae stimuleert? Met bv. een laag (liefst al wat verteerde) houtsnippers in een laag van 5 cm onder je boom.