Opruimen in de tuin is geen grote lenteschoonmaak!
In een ecologische tuin spring je net heel zorgzaam om met plantenresten. Afgestorven planten, droge stengels en bladeren zijn geen afval maar waardevolle schuilplekken, overwinteringsplaatsen en kraamkamers voor veel insecten en bodemdieren.
Hoe ruim je best op, om al die waardevolle mini-ecosystemen maximaal te respecteren?
1. Knip planten niet tot tegen de grond af
Laat 20–30 cm staan. Vlinderpoppen hangen vaak laag aan de stengels, en veel insecten hebben hun winterschuilplek vooral in het hart van planten. Voor je knipt: kijk!
2. Houd verticale structuren overeind
Verticale elementen als venkel, cichorei, slangenkruid, toorts, rozen… zijn in de winter en het vroege voorjaar belangrijke herkenningspunten voor vogels en rustpunten voor vlinders, (vuur)wantsen,...
3. Laat dikke en holle stengels staan
In dikke, holle stengels van bv. (sier)distels overwinteren larven, rupsen, eitjes, pissebedden, solitaire bijen... Wil je ze toch liever afknippen, voor het zicht, zet ze dan op een andere plek, liefst niet te ver weg, in een bussel recht.
4. Maak van grote bossen bussels
Volumineuze bossen stengels zoals asters vormen ideale schuilplekken voor insecten en spinnen. Leg ze horizontaal tussen je planten of onder de haag, of zet ze recht waar het kan.
5. Wikkel droge siergrassen in een streng
Zo’n droge, dichte bussel gras is een geliefde insectenrefuge.
6. Versnipper een deel en laat het liggen tussen je planten
Hoopjes plantensnippers zijn interessante biotopen voor insecten. Een laag uitgestrooide snippers vormt voer voor regenwormen, pissebedden, springstaartjes…
7. Laat zeker open plekjes vrij
Veel wilde bijen en hommels nestelen in de bodem; sluit hun gangen nu niet af! Geef zaden van (inheemse), kortlevende planten de ruimte om te kiemen.
Zo liever niet!
Minder opruimen = meer biodiversiteit